Loes Riphagen

Loes Riphagen (1983) groeide op in Oene, tussen de dieren op een boerderij. Op de middelbare school ontdekte ze dat ze goed kon tekenen en op advies van haar docent vertrok ze naar Rotterdam om te gaan studeren aan de Willem de Kooning academie.

In 2008 debuteerde Loes Riphagen met het boek ‘Slaapkamernachtdieren’ en daarna verschenen er nog meer prachtige prentenboeken, zoals ‘Coco kan het!’, ‘Kom mee, Kees’ en ‘Het Kabouterboek’. Loes verzorgt zelf zowel de illustraties als de tekst van haar boeken. In 2021 wordt ‘Coco kan het’ verkozen tot Prentenboek van het jaar.

Haar boeken zitten vol grappige en kleine details en dat maakt haar werk erg populair, ook in het buitenland. 

Loes Riphagen woont en werkt op dit moment in Heerde. 

Foto: Vincent Kuyvenhoven

Aan welk boek uit je jeugd heb je goede herinneringen?

“Als kind kreeg ik van mijn oma Truus ieder jaar een boek. Dit waren de enige boeken die ik had en ik heb ze nog steeds. Uiteindelijk waren dit vijf prentenboeken die voor mij nog steeds heel speciaal zijn. Ik heb ze zo vaak gelezen dat ik ze nog helemaal uit mijn hoofd ken. De mooiste en leukste van deze boeken vind ik Platvoetje van Ingrid en Dieter Schubert. Over een klein mini heksje dat gepest wordt in het heksenbos. Platvoetje spreekt elke keer de toverspreuk verkeerd uit en dan groeien haar voeten. Ze vlucht weg uit het heksenbos en komt per ongeluk in de slaapkamer van Niki terecht. Niki helpt haar, in ruil daarvoor helpt Platvoetje Niki vliegen. Dit boek is voor mij heel speciaal.”

Tekende je zelf vroeger als kind veel of had je andere hobby’s?

“Vroeger als kind kon ik niet beter tekenen dan andere kinderen. Ik was wel altijd heel veel aan het knutselen. Ik maakte kleine poppenhuisjes in theedoosjes met alle spulletjes die ik kon vinden. Mijn vader had soms een groot gat in zijn geitenwollensok omdat ik dat stukje stof net nodig had voor een warm dekentje in mijn zelfgemaakte poppenhuisje. En voor al mijn trollen naaide ik zelf kleertjes. Toen ik op de middelbare school kwam viel ineens op dat ik heel goed kon tekenen. Mijn tekenlerares zei toen: ‘Loes, jij moet naar de kunstacademie’. En dat leek me fantastisch. Dus dit heb ik gedaan. Ik ben naar de Willem de Kooning academie in Rotterdam gegaan. Eigenlijk wilde ik altijd al doen wat ik nu doe. Mijn afstudeerproject was mijn allereerste prentenboek ‘Slaapkamernachtdieren’ (uitgeverij de Fontein). Ik vind mijn vak fantastisch leuk. Het is heel erg afwisselend. En het is natuurlijk fantastisch dat alles zo goed gaat en dat ik de hele dag mag doen wat ik het allerleukste vind.”

Onlangs verscheen ‘Het kabouterboek’. Kun je iets vertellen over je nieuwe boek?

Het kabouterboek is een boek dat ik altijd al wilde maken. Als kind was ik veel met kabouters bezig. Mijn moeder zei altijd als ik iets kwijt was: ‘Dat hebben de kabouters gedaan!’ Iedereen weet hoe een kabouter eruit ziet en er zijn veel mensen die echt geloven dat ze bestaan. Ik heb bijvoorbeeld een heel serieuze oom. Een oom die nooit grapjes maakt. Hij heeft mij verteld dat hij een echte kabouter zag staan toen hij elf jaar oud was. Die kabouter zat in een boom toen hij van school naar huis liep. Ik geloof hem. Deze oom zou zoiets nooit verzinnen. Dit zette mij aan het denken. Kabouters zijn over de hele wereld bekend. Het verhaal van hun bestaan leeft al eeuwen onder de mensen. Ze bestaan misschien wel echt?! Ik ben dit gaan onderzoeken. En het verhaal van mijn oom blijkt werkelijk waar. Kabouters bestaan!

Als je zoiets ontdekt dan moet je hier natuurlijk een boek over maken. Het is namelijk wel helemaal anders dan je denkt. De meeste Kabouters leven allang niet meer in het bos. Ze wonen in dorpen en steden. Tussen muren en vloeren is heel veel ruimte. Die ruimte gebruiken zij. In het Kabouterboek ontmoet je Kik. Kik is een kleuterkabouter die je meeneemt door een dag van zijn leven. Zo leer je van alles over hem, zijn familie, vrienden en huisbeesten. Hoe ziet zijn kamer eruit? Wat zijn zijn lievelingsspullen? Hij leert je over het verzamelen van voorwerpen. Hoe je een kaboutermuts maakt. Hij gaat naar school en naar de dokter. En laat je zien wat zijn lievelingseten is. En er is nog zoveel meer!

Ik heb dit boek met heel veel plezier gemaakt. Het was mijn leukste project ooit. Ik wilde echt een boek maken wat ik als kind fantastisch had gevonden. Het Kabouterboek is het beste wat ik op dit moment kan. Ik heb echt alles gegeven om dit boek zo goed mogelijk te maken. Naar mijn idee komt alles wat ik ooit gedaan, geleerd en gemaakt heb samen in dit project. Het is eigenlijk een heel persoonlijk project geworden. Ik had zoveel leuke dingen om over na te denken. Wat doen Kabouters met onze spullen? Wat is logisch? Waar zou een kabouter een frisdrankdop of paperclip voor gebruiken? Wat kun je met een paardenbloem doen? En hoe zien ingangen naar een kabouterhuis eruit?

Ik geloof er nu zelf in. Voor mij voelt het alsof ik nieuwe vrienden heb gemaakt. Wat een lieve, grappige wezens die kabouters! Ik heb de kabouters echt in onze wereld geplaatst. De aanwijzingen dat er een kabouter in je huis woont of in de buurt is geweest zijn overal. Er opent een nieuwe wereld voor je. Als je het eenmaal ziet, dan zie je het. Overal.” 

Hoe ziet je werkplek eruit?

“Mijn werkplek is vol spullen. Ik teken meestal met allemaal verschillende materialen zoals gouache, ecoline en potloden. Overal liggen klodders lijm en verf en het is best wel een rommel. Maar al mijn materialen, schetsboeken en puntenslijpselpotten zijn in de buurt en dat vind ik fijn. Op het moment werk ik in een hoekje van mijn huis. Ik woon in een oud boerderijtje en eerst had ik mijn atelier in een los gebouwtje, hier in Heerde noemen we dat een ‘kookhuisje’. Daar werden vroeger de aardappels voor de varkens gekookt. Dat was heel fijn om zo mijn eigen plekje te hebben. Maar in december werd het echt te koud. Toen moest ik naar binnen verhuizen. Maar dit jaar nog wordt het kookhuisje helemaal voor mij verbouwd. En dan krijg ik hier een prachtig atelier.”

Wat is je boodschap of tip voor jonge lezers?

“Je hoeft als kind niet vreselijk goed te kunnen tekenen om net als ik illustrator te worden. Ik begon ook pas op de middelbare school met tekenen. Het aller belangrijkste is dat je het heel erg leuk vindt en dat je het heel erg graag wilt. Dan kun je alles leren, eigenlijk geldt dit voor alles natuurlijk. Heel heel heel veel oefenen dan word je sowieso beter en gaat het je lukken. Echt kilometers potloodlijnen maken en doorzetten. Niet alles hoeft mooi en af te zijn, eigenlijk moet je niet alles voor een ander maken, maar gewoon voor jezelf, als een oefening en om te ontdekken of je het echt leuk vindt.”

Leesleeuw recensie

Wij schreven een recensie over het boek ‘Kom mee, Kees’ van Loes Riphagen. Klik hier om deze recensie te lezen.

error: Content is protected !!